Bekijk winkelmandje Print English version
AIV Werkprogramma voor 2009 en 2010

AIV Werkprogramma voor 2009

 

 

A. LOPENDE WERKZAAMHEDEN

 

De volgende onderwerpen van het werkprogramma 2008 zijn thans in behandeling bij de AIV of zullen naar verwachting spoedig in behandeling worden genomen.

 

  1. Klimaat, energie en armoedebestrijding (zie advies nummer 62).

  1. Transitional Justice (samen met de CAVV) (zie advies nummer 65).

  1. Verenigbaarheid van politieke, militaire en ontwikkelingsdoelen in crisisbeheersingsoperaties (zie advies nummer 64).

  1. De universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid (zie advies nummer 63). 

B. VOORGENOMEN ADVIESAANVRAGEN (uit het werkprogramma 2008 of anderszins)

 

  1. De gevolgen van klimaatverandering voor vrede en veiligheid (zie briefadvies nummer 14)

 

  1. Bevolkingsproblematiek en ontwikkelingssamenwerking (zie advies nummer 66).

  1. Transnationale netwerken en internationale regimes (uit werkprogramma 2008). 

C. NIEUWE VOORGENOMEN ADVIESAANVRAGEN (nog geen aanvragen ontvangen)

 

  1. De rol van de EU op het wereldtoneel in het licht van het Verdrag van Lissabon      

Het Verdrag van Lissabon zal uit institutioneel oogpunt, met zijn vaste ER-voorzitter en zijn Hoge Vertegenwoordiger voor het buitenlands beleid, leiden tot een versterking van de centrale regiefunctie juist op buitenlands terrein (de vakraden die zich met intern beleid bezighouden blijven immers onderworpen aan de roulerende voorzitterschappen). Te verwachten is dat niet alleen de Hoge Vertegenwoordiger, maar juist ook de EU-voorzitter een rol zal claimen bij externe betrekkingen, de toppen tussen de EU en andere landen en bij multilaterale bijeenkomsten waar de EU partij is. Bij deze advisering zou het nieuwe verdragsinstrumentarium als een min of meer waardevrij uitgangspunt moeten dienen voor de vraag in hoeverre de EU op welke terreinen (bijvoorbeeld handel of financiën) door het verdrag is geëquipeerd en of dat gevolgen kan hebben voor de effectiviteit van het externe beleid. Hoe kunnen we bevorderen dat de EU, op basis van de bestaande instituties en instrumenten, als een mondiale speler zo effectief en coherent mogelijk optreedt? Waar liggen de EU-belangen (energie, milieu et cetera)?

 

2.         De consequenties van het Verdrag van Lissabon voor het mensenrechtenbeleid van de EU

 

Het mensenrechtenbeleid van de EU heeft zich de afgelopen decennia stapsgewijs en, ondanks de bestaande verdragen, grotendeels ad hoc ontwikkeld. Het Verdrag van Lissabon verschaft de mogelijkheid om meer coherentie in de samenwerking op het gebied van mensenrechten te bewerkstelligen. Dit geldt met name voor de interactie tussen de Raad, de Commissie en het Parlement, maar ook voor de relatie tussen de EU en de Raad van Europa. Dat laatste uit zich onder meer in de beoogde toetreding van de EU tot het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze ontwikkelingen roepen een aantal vragen op: Wat gaat dit betekenen voor de jurisdictie van het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de gevolgen van aanvaarding van het Verdrag van Lissabon voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) in het algemeen en het mensenrechtenbeleid in het bijzonder? Welke speelruimte behouden afzonderlijke EU-lidstaten daarbij voor eigen beleid? Wat wordt de toekomstige rol van de mensenrechtenambassadeur van de EU? Wat zijn de mogelijkheden voor Nederland om het mensenrechtenbeleid van de EU effectiever te maken?

 

3.         Grondstoffenprijzen en OS-beleid

 

Een van de verschijnselen die deels worden toegeschreven aan de zeer snelle economische ontwikkelingen in opkomende economieën, is de sinds enkele jaren stijgende trend in de prijzen van energie, mineralen en agrarische grondstoffen. Deze lijkt inmiddels een dusdanige krachtige en wellicht ook blijvende ontwikkeling te weerspiegelen, dat de kans op aanzienlijke gevolgen ook op de langere termijn voor bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden niet langer denkbeeldig is.

 

Deze gevolgen kunnen deels positief zijn, in de zin dat nieuwe economische perspectieven ontstaan. Deels ook kunnen de gevolgen negatief zijn en nieuwe risico's oproepen:

  • een risico van stijgende voedselprijzen is dat honger, ondervoeding, onverantwoord landgebruik, ontbossing en dergelijke weer toenemen. Daarbij kan van belang zijn in hoeverre vraagconcurrentie ertoe bijdraagt dat afzet van voedsel en biomassa uit ontwikkelingslanden verschuift van de lokale naar de wereldmarkt;
  • en risico van stijgende prijzen van minerale grondstoffen is dat dit kan leiden tot conflictstof, ongelijke verdeling, spanningen rond eigendom en de toegang tot exploratie, enzovoort;
  • een risico van stijgende energieprijzen is onder meer dat de toegang tot betaalbare energie vermindert, ontbossing toeneemt en dat conflicten rond de toegang tot energiebronnen toenemen.

Indien het gaat om blijvende effecten, kan een en ander niet zonder gevolgen blijven voor de accenten die in het OS-beleid worden gelegd, zowel voor wat betreft de sectorkeuzen, landenkeuze als programmatische aanpak. Het advies zou - uitgaande van enkele scenario’s ten aanzien van lange termijn grondstoffenprijzen en - beschikbaarheid - een beeld kunnen schetsen van de richting waarin dergelijke beleidsombuigingen zich zouden kunnen ontwikkelen.

 

4.         Internationale Financiële Organisaties

 

Hoewel het inzicht groeit dat voor de grootste problemen en uitdagingen in een integrerende wereld internationale samenwerking belangrijker wordt, blijft die samenwerking tussen overheden grotendeels gebaseerd op de structuur uit de jaren veertig van de vorige eeuw. Niet alleen economische en politieke verhoudingen zijn sindsdien echter ingrijpend veranderd, ook de internationale kapitaalstromen en daarmee de wijze waarop ontwikkeling wordt gefinancierd. Dit geldt zeker voor de bestrijding van armoede in ontwikkelende landen en voor de bevordering van de ‘Global Public Goods’. Zowel voor wat betreft werkgebied als voor de onderlinge rolverdeling van de multilaterale ontwikkelingsbanken kan de vraag gesteld worden of deze in de huidige omstandigheden nog doelmatig is.

 

Het werkgebied van de internationale financiële instellingen is sterk veranderd. De Wereldbankgroep (WB) biedt inmiddels een breed palet aan van niet-financiële diensten (databases, publiek-private samenwerkingsvormen, opleidingen en trainingen, sector- en projectmanagement, donorcoördinatie en alle daarbij horende publicaties en internetdiensten). Deze diensten lijken zelfs belangrijker te worden dan de oorspronkelijke taak van het verstrekken van financiering. Voor de regionale ontwikkelingsbanken blijft de vraag in hoeverre sprake is van duplicatie, complementariteit en/of concurrentie met de WB. Een secundaire vraag, waarvoor overigens al veel aandacht bestaat, is of het bestuur van deze organisaties goed geregeld is, met name of de vertegenwoordiging van deelnemende landen nog aansluit bij de economische en politieke realiteit.

 

Naast de vragen over de activiteiten en de onderlinge werkverdeling tussen de multilaterale ontwikkelingsbanken is het van belang de rol van Nederland en de betekenis van deze organisaties voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking te bezien. Nederland heeft deze sinds hun oprichting krachtig gesteund, heeft jarenlang een actieve rol gespeeld in hun bestuur en is bovendien, ook al jarenlang, een van de grootste donoren voor vele trust funds van deze instellingen. Wat zou de strategie voor de Nederlandse inbreng in deze organisaties moeten zijn? Maakt Nederland effectief gebruik van het multilaterale kanaal en is het betrokken bij de belangrijkste beleidsdiscussies? De Wereldbank is vooral een kennisinstelling geworden. Wordt die kennis goed gebruikt en bestaat er coördinatie op hoofdlijnen tussen de bijdragen uit de academische wereld, het bedrijfsleven, NGO’s en de overheid ten behoeve van de Nederlandse inhoudelijke inbreng?

 

 

AIV Werkprogramma voor 2010

 

 

1. De internationale dimensie van transitie in het energiesysteem (samen met de Algemene Energieraad AER - thans in fusie met de AWT – en het Planbureau voor de Leefomgeving PBL)

 

De snelle veranderingen in de wereld – van machtveranderingen, klimaatopwarming en uiteenlopende strategieën - noodzaken tot een actualisering van kijk op energievraagstukken, zoals de AIV (samen met de AER) in 2005 nog verschafte in zijn advies nr. 46: Energiek buitenlands beleid. Het is duidelijk dat in de energieketen een transitie zal moeten plaatsvinden. Een verschuiving naar het gebruik naar duurzame energiebronnen impliceert een systeemverandering. Welke kans bestaat er dat verschillen in grondstofposities tussen de VS, EU, Rusland, Brazilië, China, India en andere energie sleutelspelers in het Midden Oosten en Latijns Amerika, leiden tot verschillende oplossingen en/of beleidsrichtingen in het energie (en klimaat) beleid? Is transitie naar een niet-fossiele brandstof economie zonder (Russisch) gas mogelijk? Lithium in autobatterijen betekent afhankelijkheid van slechts enkele landen; is dat een belemmering voor de transitie naar elektrificatie? Wat zijn de gevolgen van de transitie voor de vraag naar olie, gas, biobrandstoffen, voor de positie van exporteurs versus die van importeurs, en voor de stabiliteit van regio´s.

 

2. De benadering van de armoede in de wereld na 2015

 

De millennium ontwikkelingsdoelen (MDGs) moeten in 2015 zijn gehaald. De huidige financiële en economische crisis zal ertoe leiden dat de wereld verder achterop raakt in het halen van de doelstellingen. Voor mobilisatie lijkt de waskracht er wat uit. Toch zal de armoede in 2015 bepaald niet de wereld uit zijn.

 

Het lijkt erop dat globale problemen steeds meer met elkaar vervlochten raken. Mede hierdoor komt de vraag op naar meer internationale samenwerking in plaats van de traditionele ontwikkelingssamenwerking. Dit zal repercussies hebben voor beleid, besturing, meetbaarheid en effectiviteit van de Nederlandse activiteiten op dit terrein.

 

Welke plaats valt nog toe aan armoedebestrijding? Hoe verhoudt armoedebestrijding zich tot de bredere internationale samenwerking? Gaat het na 2015 niet vooral om de ‘well being of societies’ in plaats van armoedebestrijding? Moeten (na 2015) de MDG’s in deze richting worden geherdefinieerd? Zijn de in OESO/DAC verband ontwikkelde concepten van meetbaarheid van welzijn van samenlevingen hiervoor bruikbaar? Welke indicatoren zouden tot betere inschattingen van ontwikkeling kunnen leiden?

 

3. Piraterij

 

Piraterij is op verschillende plaatsen in de wereld, vooral ook nabij de Hoorn van Afrika, een groeiend probleem. In dit onderwerp komen vele vraagstukken samen, betreffende zwakke staten en de rol van de marine, rederijen, private security companies, de EU, NAVO en VN. De piraterij heeft vele negatieve gevolgen voor de internationale (en zeker ook de Nederlandse) handel. Nederland heeft zich uitgesproken voor bestrijding van de piraterij, maar het is nog niet erg duidelijk hoe dat in de praktijk het best zou kunnen. De AIV kan worden verzocht vanuit het perspectief van geïntegreerd beleid te bezien welke mogelijke inzet haalbaar en succesvol zou kunnen zijn. Daarbij kunnen ook de eerste ervaringen van de EU- en NAVO-operaties tegen de piraterij worden meegenomen en zal onder meer kunnen worden geadviseerd over het functioneren van de ‘operatie Atalanta’.