Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
De adviesaanvraag
Op 15 januari 2009 heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking een adviesaanvraag over Bevolking en Ontwikkelingssamenwerking aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voorgelegd. Hij verzoekt daarin de AIV om aanbevelingen te formuleren voor de wijze waarop het ministerie van Buitenlandse Zaken in het beleid beter kan inspelen op demografische ontwikkelingen om duurzame ontwikkeling te bereiken. Meer specifiek worden twee onderzoeksvragen gesteld:
1. Welke zijn de grootste knelpunten en mogelijkheden van demografische ontwikkelingen voor het behalen van de millenniumdoelstellingen (MDG’s)?
2. Hoe kan het Nederlands buitenlandse beleid voor ieder van de 8 MDG’s beter inspelen op deze knelpunten en mogelijkheden, met speciale aandacht voor innovatieve wijzen van aanpak (IS 2.0), inclusief het innovatief gebruik maken van het huidige BZ-instrumentarium en suggesties voor nieuwe instrumenten?
Demografische ontwikkelingen verdienen nationaal en internationaal hernieuwde aandacht
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 hebben grote demografische ontwikkelingen plaatsgevonden. De wereldbevolking is in die tijd meer dan verdubbeld. In de 20ste eeuw vond bijna 90% van de bevolkingstoename plaats in de minder ontwikkelde landen. De vooruitzichten zijn dat tussen 2008 en 2050 de wereldbevolking verder zal groeien van 6.8 miljard naar 9.2 miljard. Dit ondanks een algemene trend van daling van de vruchtbaarheidscijfers. De bevolkingstoename van de minder ontwikkelde landen zal 2.3 miljard zijn, de bevolkingstoename van de meer ontwikkelde landen 0.1 miljard. Bijna de gehele bevolkingstoename zal dus plaatsvinden in de minder ontwikkelde landen. Zo zal de bevolking van 29 voornamelijk minst ontwikkelde landen waarschijnlijk verdubbelen en die van sommige landen zelfs verdrievoudigen. Afrika is de regio met de hoogste geboortecijfers en het hoogste verwachte bevolkingsgroeipercentage voor 2050.
De bevolkingsexplosie die in bepaalde landen en regio’s tussen nu en 2050 zal plaatsvinden vormt niet alleen een ernstige bedreiging voor het bereiken van de MDG’s, waaronder de inkomensdoelstelling, maar meer in het algemeen ook voor het milieu, en vrede en veiligheid. Ook zal het de druk om te migreren in bepaalde landen sterk doen toenemen, met directe gevolgen voor zowel Zuid-Zuid migratie als Zuid-Noord migratie. Deze bevolkingstoename zal, zoals hierboven vermeld, bijna uitsluitend plaatsvinden in de ontwikkelingslanden, met name in sub-Sahara Afrika, Zuid-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ondanks deze grote toename van de bevolking zullen deze regio’s wel afnemende jaarlijkse bevolkingsgroeicijfers tonen: ongeveer 2% in 2000 en 1% in 2050. Reeds in 2030-2035 zal een ander demografisch verschijnsel in deze regio’s relevant gaan worden dat nu al in de geïndustrialiseerde landen en in een aantal grote ‘emerging economies’ (China, Zuid-Afrika) een rol speelt, namelijk de vergrijzing. Het aandeel van de 60- en meer jarigen in de wereldbevolking zal in 2050 22% bedragen tegenover 10% in 2000. Ongeveer 80% van deze laatste groep leeft in 2050 in ontwikkelingslanden tegenover 60% in 2000.
Demografische ontwikkelingen, zoals hoge vruchtbaarheidscijfers (dat wil zeggen een hoog gemiddeld aantal kinderen per vrouw) en daarmee verband houdende sterke toename van de bevolking hebben vergaande consequenties voor ontwikkelingslanden, waaronder de fragiele staten. Zij zullen het bereiken van de MDG’s in 2015 in de weg staan, maar vormen zeker ook een bedreiging voor het bereiken van toekomstige MDG’s na 2015. Dit vraagt naast beleid voor de korte termijn om aandacht voor strategieën voor de langere termijn om op effectieve wijze op bevolkingsvraagstukken te kunnen inspelen.
Het is in dit opzicht verbazingwekkend dat het onderwerp demografische ontwikkelingen heden ten dage internationaal zo laag op de agenda staat en nationaal als zodanig geen rol van betekenis speelt. Wel wordt er in het OS-beleid bij de inzet op bepaalde MDG’s impliciet rekening mee gehouden. Echter de grotere verbanden, waaronder de relatie met economische groei en duurzame ontwikkeling, alsmede vrede en veiligheid worden nog nauwelijks gelegd.
Demografische transitie
Demografische transitie is een overgang die een bevolking doormaakt van een situatie met hoge geboorte- en sterftecijfers naar een situatie met lage geboorte- en sterftecijfers. Door afname van de sterfte (die altijd eerst plaatsvindt), maar aanhoudende hoge vruchtbaarheid zal de bevolking eerst toenemen. Dit is de aanvang van het demografische transitieproces. De fase waarin een land zich in het transitieproces bevindt, wordt weerspiegeld in de leeftijdsopbouw van de bevolking. Eerst jonge, snel groeiende bevolkingen; vervolgens bevolkingen met een lage afhankelijkheidsratio; en als laatste vergrijzende bevolkingen. De veranderingen die gedurende demografische transitie optreden in de verhouding tussen het aandeel jeugdigen (onder 15 jaar), het werkzame gedeelte van de bevolking (15 tot 65 jaar) en de vergrijzende bevolking (boven 65 jaar), hebben belangrijke implicaties voor overheidsbeleid en ontwikkelingsperspectieven.
Urgente thema’s
De AIV identificeert en gaat in op een aantal ontwikkelingsrelevante, urgente thema’s die niet in alle gevallen met het demografisch transitieproces te maken hebben, maar waarbij wel demografische variabelen een rol spelen. Het betreft moedersterfte, scholing van meisjes, HIV/AIDS, seksuele voorlichting, migratie/mobiliteit en urbanisatie, een jonge bevolking zonder scholing of perspectief en gevaar voor conflicten, en het thema vergrijzing en armoede.
De verschillende fasen van demografische transitie en beleidsconsequenties
Elke fase van het demografische transitieproces wordt gekenmerkt door zijn eigen profiel en vraagt om overheidsbeleid dat daarop gericht is. Er moet echter ook rekening gehouden worden met de volgende fase van het transitieproces, om op tijd te kunnen inspelen op de veranderingen die in deze fase gaan optreden. Het ontwikkelen van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties zijn noodzakelijke voorwaarden om demografische transitie in landen goed te doen verlopen.
Fase I Jonge, snel groeiende bevolkingen
Landen in deze fase kenmerken zich door een hoog vruchtbaarheidscijfer en een grote jeugdige bevolking. De jaarlijkse groei van de bevolking is 2% of meer, en meer dan 40% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De meeste ontwikkelingslanden, waaronder fragiele staten, bevinden zich in deze fase.
Er is een duidelijke relatie tussen hoge vruchtbaarheidscijfers en armoede. Het blijkt dat landen met een hoger percentage mensen dat leeft in armoede vaak hoge vruchtbaarheidscijfers hebben. Vrouwen met veel zwangerschappen en levenslange zorg voor kinderen vinden het moeilijk deel te nemen aan scholing en deel uit te maken van de formele arbeidsmarkt. Hoge vruchtbaarheidscijfers hebben tevens een negatieve invloed op kinder- en moedersterfte. Gebrek aan toegang tot contraceptie (een unmet need voor family planning) is een belangrijke factor in de hoge vruchtbaarheidcijfers in de landen met dit profiel.
Scholing van meisjes heeft een zeer positieve invloed op ontwikkeling en gezondheid en is in belangrijke mate gecorreleerd met lagere niveaus van vruchtbaarheid. Beter geschoolde en goed voorgelichte vrouwen gebruiken eerder voorbehoedsmiddelen, hebben kleinere gezinnen en hebben een lager risico om te sterven als gevolg van zwangerschap of bevalling (moedersterfte) en leveren een grotere en productievere bijdrage aan economische groei. Ook hun kinderen hebben minder kans om op zeer jeugdige leeftijd te sterven of om hun leven in armoede door te brengen.
In het algemeen zal overheidsbeleid in deze fase gericht moeten zijn op het verlagen van de vruchtbaarheidcijfers door het bevorderen van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid en onderwijs vooral ten behoeve van meisjes. Belangrijk is dat SRGR (voorlichting, family planning) expliciet onderdeel uitmaakt van een geïntegreerd gezondheidssysteem, maar ook van het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s.
Daarnaast zal het beleid gericht moeten zijn op het door onderwijs/opleidingen en het bevorderen van productieve werkgelegenheid bieden van een toekomstperspectief aan de grote groep jongeren onder de 15 jaar. Een grote jeugdige bevolking, met name jonge mannen, zonder scholing en toekomstperspectieven vormt een potentiële bron van politieke- en sociale instabiliteit. Dat wil zeggen een bedreiging voor de vrede en veiligheid op nationaal, maar ook regionaal niveau. Ook zal het gebrek aan bestaansmogelijkheden de migratiedruk doen toenemen.
Deze groep landen met jonge, snel groeiende bevolkingen omvat de meeste fragiele staten. Daarmee zijn zij ook doel van andersoortige programma’s van internationale samenwerking zoals noodhulp, hulp bij wederopbouw, hulp bij het versterken van instituties en de rechtsstaat, ‘soft power’ van defensie en vredesmachten. Het verdient aanbeveling om ook in deze programma’s een structurele plaats in te ruimen voor SRGR, met aandacht voor toegang tot family planning.
Fase II Bevolkingen met een lage afhankelijkheidsratio
In bevolkingen met dit profiel daalt, als gevolg van de afname van de vruchtbaarheid, het aandeel van de jongeren onder de 15 jaar in de afhankelijkheidsratio en stijgt het aandeel van de bevolking in de economisch productieve leeftijd. Het ‘demografisch dividend’ dat aldus ontstaat, kan bijdragen aan een versnelling van de groei van het per capita inkomen, de nationale besparingen en de nationale economie. Dit is het moment waarop een land de mogelijkheid heeft een aanzienlijk hogere economische groei te realiseren en tevens te investeren in de toekomst. Dat wil zeggen dat een land in deze periode kan investeren in voorzieningen die nodig zullen zijn als de bevolking in een latere fase van het transitieproces gaat vergrijzen. Het potentieel van dit ‘demografisch dividend’ wordt echter niet automatisch gerealiseerd. Voor deze grote groep van de bevolking in de werkzame leeftijd is een overeenkomstige vraag naar arbeidkrachten/aanbod van productieve werkgelegenheid nodig. Zonder adequaat beleid, kan het extra aanbod van arbeid, werkloosheid tot gevolg hebben met een potentieel risico voor politieke en sociale instabiliteit. Ook zal het de druk om te migreren verhogen.
Een voorwaarde voor het realiseren van het ‘demografisch dividend’ is dat landen een goed bestuur voeren en er voldoende geïnvesteerd is in de ontwikkeling van instituties.
Het profiteren van het demografisch dividend en het in een latere fase verminderen van negatieve gevolgen van vergrijzing wordt bevorderd door: betere gezondheidszorg en meer voeding, meer onderwijs en scholing, goed functionerende arbeidsmarkten, ontwikkeling van de private sector, een vrije wereldhandel en door een versterkte financiële sector en betere pensioensystemen (via fondsvorming).
Fase III Vergrijzende Bevolkingen
In deze fase kan vergrijzing leiden tot een aanzienlijke daling van het inkomen per hoofd van met name de oudere bevolking. Het effect van deze daling wordt gemitigeerd door het feit dat ondanks deze inkomensdaling de consumptie per hoofd van de oudere bevolking niet hoeft te dalen door een netto-inkomenstransfer via de overheid naar dit oudere deel van de bevolking. Andere welvaartsbevorderende factoren die de inkomensdaling van het oudere deel van de bevolking kunnen mitigeren zijn: een verbeterde gezondheidstoestand, grotere arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen, alsmede immigratie.
Het is duidelijk dat wanneer in de tweede fase van het transitieproces onvoldoende geïnvesteerd is in het rekening houden met de gevolgen van vergrijzing, de ouderen in de bevolking in een later stadium, een dramatische teruggang in economische en sociale zekerheid kunnen ervaren.
Door demografische transitie zullen op den duur kleinere families ontstaan. Kleinere families en aanhoudende armoede kunnen van invloed zijn op zorg voor en inkomenszekerheid van het oudere deel van de bevolking, speciaal in ontwikkelingslanden, waar juist de familie de ouderen hoofdzakelijk ondersteunt. Het traditionele familieondersteuningssysteem kan onder druk komen te staan, ook door migratie en HIV/AIDS.
Het gebrek aan vooruitzicht op pensioen levert voor de meerderheid van de mensen die in ontwikkelingslanden leven een aanzienlijke inkomensonzekerheid voor de oude dag op. Dit geldt met name voor kleine boeren, rurale arbeiders en werkers in de informele sector. Dit zal vaak betekenen dat zij bij gebrek aan andere mogelijkheden ook op hoge leeftijd door moeten werken. Naast inkomensonzekerheid moet ook gezondheidszorg voor ouderen aandacht krijgen.
Beleid gericht op vergrijzing moet er rekening mee houden dat in de meeste landen met vergrijzende bevolkingen het aantal oudere vrouwen veel groter is dan dat van oudere mannen. Dit verschil neemt met het klimmen der jaren alleen maar toe. Veelal bevonden deze vrouwen zich in hun jongere jaren ook in een meer kwetsbare positie, waardoor zij zelf geen oudedagsvoorziening hebben kunnen opbouwen. Dit heeft te maken met gebrek aan scholing, levenslange zorg voor familie en bepaalde ongunstige sociale en culturele omstandigheden zoals de gebrekkige toegang tot en rechten op eigendom van land.
Demografische transitie en de gevolgen voor het nationale beleid in ontwikkelingslanden en de MDG’s
De genoemde ontwikkelingen en trends hebben belangrijke implicaties voor de desbetreffende landen. Het gaat dan om: de overheidsbegroting, de gezondheidszorg, het onderwijs, het milieu en klimaat en de binnenlandse sociale en politieke stabiliteit. In tegenstelling tot wat vroeger werd aangenomen, is het proces van demografische transitie van invloed op economische groei en daardoor ook op de groei van het per capita inkomen, waarbij de veranderende leeftijdsopbouw van de bevolking een centrale rol speelt. Er lijken met name goede mogelijkheden te zijn om de MDG’s daadwerkelijk te bereiken wanneer landen een bevolkingsstructuur bereiken waarin de afhankelijkheidsratio’s dalen en de positieve effecten van het demografisch dividend gerealiseerd kunnen worden.
Om deze fase te bereiken is, naast overheidsbeleid gericht op het ontwikkelen van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties, het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheid en onderwijs van met name meisjes en vrouwen cruciaal. In dit verband is een geïntegreerd gezondheidssysteem waarin aandacht wordt geschonken aan preventieve zorg, seksuele voorlichting en family planning van groot belang, maar ook moet SRGR geïntegreerd worden in het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s. Dit zal leiden tot afname van de vruchtbaarheidscijfers en moeder- en kindersterfte. Daarnaast kan dit door afname van het percentage jeugdige mannen op den duur een vredesdividend opleveren.
Om de MDG’s ook daadwerkelijk te realiseren in de fase waarin het demografisch dividend optreedt, is naast de hiervoor genoemde beleidsprioriteiten inzet op de volgende beleidsgebieden van belang:
- onderwijs en opleidingen;
- creëren van productieve werkgelegenheid;
- vergroten van toegang tot financiële diensten;
- gelijke toegang voor mannen en vrouwen tot deze opleidingen, financiële diensten en de arbeidsmarkt.
Demografische ontwikkelingen en het Nederlandse beleid ten aanzien van MDG’s
Demografische ontwikkelingen spelen geen expliciete rol in het Nederlandse buitenlandse beleid, inclusief het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Een uitzondering hierop is het Nederlandse beleid gericht op gender (MDG 3) en SRGR (MDG 5), waar ook de implementatie van de Caïro-agenda aan de orde komt.
In het voorafgaande is duidelijk geworden hoe MDG 2 (onderwijs), MDG 3 (gelijke rechten mannen en vrouwen), MDG 4 (kindersterfte), MDG 5 (moedersterfte en SRGR) en MDG 6 (HIV/AIDS) elkaar onderling sterk beïnvloeden en welke belangrijke rol zij spelen op het gebied van demografische ontwikkelingen als geboorten (afnemende vruchtbaarheid) en sterfte. Inzet op deze MDG’s leidt op den duur tot afname van de sterfte- en geboortecijfers, waardoor een land in de fase kan komen waarbij de afhankelijkheidsratio afneemt en de mogelijkheid van een demografisch dividend zich voordoet, met onder de juiste voorwaarden positieve effecten voor armoedebestrijding (MDG 1), vrede en veiligheid en het milieu. De meeste ontwikkelingslanden bevinden zich echter nog in de fase van afname van de sterftecijfers, maar hebben hoge vruchtbaarheidscijfers. De AIV is van oordeel dat het beleid ten aanzien van het bevorderen van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid, en onderwijs van met name meisjes en vrouwen, een hefboom vormt voor verdere ontwikkeling van deze landen.
In 2007 heeft de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking een intensivering van het beleid aangekondigd ten aanzien van gelijke rechten en kansen van vrouwen (MDG 3), en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) (MDG 5). Dit gebeurt in het kader van een brede inzet op gezondheidszorg, dat wil zeggen inclusief het verminderen van kinder- en moedersterfte (MDG’s 4 en 5). Tevens heeft de minister bepaald dat het terugdringen van moedersterfte en het bevorderen van ‘reproductieve gezondheid voor iedereen’ speerpunten van beleid blijven. In dit verband zal Nederland vooral bijdragen aan het versterken van gezondheidssystemen met specifieke aandacht voor SRGR alsmede voor HIV/AIDS-preventie (MDG 6). De AIV is van oordeel dat de minister met deze beleidsintensivering met name ten aanzien van SRGR, een onderwerp dat internationaal gevoelig ligt, de juiste keuze heeft gemaakt.
Tussen 2007 en 2009 zijn de bilaterale budgetten voor de drie begrotingsartikelen 5.3, 5.4 en 5.5 die corresponderen met MDG 3 (gender), MDG 6 (HIV/AIDS) en MDG’s 4, 5 (kinder- en moedersterfte en SRGR) met 20% gestegen. Voor MDG’s 4, 5 en 6 bedraagt de stijging 12%, voor MDG 3 is deze meer dan 800%. De totale voorziene bilaterale budgetten voor 2009 voor MDG’s 4, 5 en 6 bedragen 475 miljoen euro, voor MDG 3 zijn deze 37 miljoen euro.
De totale realisatie van uitgaven voor MDG’s 4, 5 en 6 via het multilaterale, bilaterale kanaal en particuliere kanaal zijn daarbij de afgelopen jaren stabiel geweest. Gemiddeld ging 29% van de uitgaven via het particuliere kanaal, 44% via het multilaterale kanaal en 27% via het bilaterale kanaal. De realisatie van uitgaven via het multilaterale-, bilaterale- en particuliere kanaal voor MDG’s 4, 5 en 6 in 2008 bedraagt 567 miljoen. Wat betreft MDG 3 was er vóór 2007 eigenlijk niet of nauwelijks sprake van een Nederlandse financiële inzet. Voor zover die plaatsvond was dat via het particuliere kanaal. In 2007 is deze inzet verdrievoudigd waarbij vrijwel de gehele verhoging weer via het particuliere kanaal plaatsvond. In 2008 vond weer een verdubbeling van de financiële inzet plaats waarbij ook het bilaterale kanaal een wat belangrijkere rol ging spelen. De gerealiseerde uitgaven voor MDG3 via het multilaterale-, bilaterale en particuliere kanaal bedroegen in 2008 68.9 miljoen euro.
Uitgaande van de desbetreffende budgetten is de inzet van het Nederlandse beleid gedurende 2007-2009 voornamelijk uitgegaan naar MDG 6 (HIV/AIDS), gemiddeld 65% van de totale budgetten voor de MDG’s 4, 5 en 6 in de desbetreffende periode. Opvallend genoeg toont de meerjarenraming 2013 dat vrijwel hetzelfde percentage van de budgetten voor MDG’s 4, 5 en 6 bestemd is voor de bestrijding van HIV/AIDS: 66%. Hoewel er een verwevenheid bestaat tussen HIV/AIDS en SRGR, lijkt de inzet van middelen in het kader van het Nederlandse beleid wel erg ten voordele van HIV/AIDS en ten nadele van SRGR te zijn uitgevallen.
Opgemerkt moet worden dat Nederland alle lof verdient voor de wijze waarop het zich inzet op het gebied van het bevorderen van SRGR, onder meer in het zeer lastige ideologische internationale debat. Nederland heeft in dit verband een unieke meerwaarde vanwege de geloofwaardigheid van het beleid afgaande op behaalde resultaten in eigen land: zeer weinig tienerzwangerschappen, lage HIV/AIDS-prevalentie, lage abortuscijfers, ondanks het feit dat abortus legaal is en vrijwel kosteloos.
Wat betreft de belangrijke inzet op MDG 2 (onderwijs) constateert de AIV dat van 2007-2009 de bilaterale budgetten zijn gestegen met 15%. Het gaat hier om 515 miljoen euro voor 2009, bijna 20% van de totale uitgaven in 2009. Van deze 20% ODA-uitgaven gaat 54% – zowel in 2009 als in 2013 – naar onderwijs en gender en 46% naar de aan gezondheid gerelateerde MDG’s. De AIV constateert dat de forse inzet die de afgelopen jaren op MDG 2 heeft plaatsgevonden belangrijk is om te kunnen inspelen op demografische ontwikkelingen.
Als men uitgaat van de laatste stand van zaken van het Global Monitoring Report (GMR) van 2008 ziet men ook hoe actueel deze onderwerpen zijn. Het GMR geeft aan dat actie dringend noodzakelijk is om de MDG’s in 2015 te bereiken. De vooruitzichten op het gebied van de MDG’s zijn het slechtst voor het verminderen van moeder- en kindersterfte, maar ook de doelstellingen voor het voltooien van basisonderwijs, voeding, gender en sanitatie laten ernstige achterstanden zien. Het ergst is de situatie in fragiele staten. Sub-Sahara Afrika loopt achter op alle MDG’s inclusief MDG 1, hoewel veel landen aldaar wel hogere groeicijfers laten zien. Zuid-Azië haalt MDG 1, maar blijft achter op de human development MDG’s.
De complexe relatie tussen demografische ontwikkelingen en de MDG’s laat zien hoe belangrijk deze ontwikkelingen voor een land zijn. Alleen door actief in te spelen op deze demografische ontwikkelingen, onder meer via activiteiten gericht op het bereiken van de MDG’s, kan duurzame ontwikkeling tot stand komen. Doet men dit niet, dan heeft dit directe consequenties ten aanzien van armoedevermindering en sociale en politieke stabiliteit. Dit vraagt echter ook om een actieve inzet op goed bestuur en de kwaliteit van instituties.
Aanbevelingen
Demografische ontwikkelingen behoren met klimaatverandering tot de grootste uitdagingen waarvoor de wereld zich in de 21e eeuw gesteld zal zien. Zij hebben verstrekkende gevolgen op diverse gebieden. De AIV is van oordeel dat er nationaal en internationaal veel meer aandacht moet komen voor de relatie tussen demografische ontwikkelingen en onder meer economische groei en duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid, schaarste, energieverbruik, milieu, migratie/mobiliteit en menselijke waardigheid. Demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende transitieprocessen zouden ook overheidsbreed veel meer aandacht moeten krijgen, om op positieve en adequate wijze in te kunnen spelen op de veranderingen die zich in de wereld tussen nu en 2050 zullen voltrekken.
De AIV beveelt aan om in de nieuwe structuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken die momenteel wordt opgezet, het onderwerp demografische ontwikkelingen duidelijk als global issue hoog te positioneren. Belangrijk is daarbij dat het onderwerp niet uitsluitend verbonden wordt aan een specifieke sociale, economische of milieudirectie. Dit om te voorkomen dat er een te eenzijdige aandacht op een van de genoemde terreinen optreedt. Juist een geïntegreerde benadering waarbij alle hierboven genoemde aspecten van dit onderwerp aan bod komen en die zorgdraagt voor coherentie van beleid is essentieel. De AIV beveelt daarom aan om hoog in de structuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken een Ambassadeur Bevolkingsvraagstukken en Duurzame Ontwikkeling aan te stellen, die vanuit een overkoepelende positie ervoor kan zorgdragen, dat het onderwerp in de volle breedte nationaal in het beleid wordt geïntegreerd en internationaal prominente aandacht krijgt. Wanneer het onderwerp voldoende in het beleid is ingedaald, zou deze functie weer opgeheven kunnen worden.
De AIV is van mening dat het beleid ten aanzien van de bevordering van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid en onderwijs van vooral meisjes en vrouwen, een hefboom vormt voor sociale en economische ontwikkeling. Op basis van de Begroting 2009 en de Resultatenrapportage 2007-2008 is de AIV van oordeel dat door de minister de juiste prioriteiten zijn gesteld, maar dat hier nog sterker nationaal en internationaal via het bilaterale, multilaterale en particuliere kanaal op ingezet kan worden. Naast de belangrijke rechtenbenadering op het gebied van SRGR (onder andere het recht van ieder individu om vrijelijk te kiezen hoeveel en wanneer zij kinderen wensen, en het recht op toegang tot de daartoe benodigde informatie en middelen), zou
de inzet sterk gericht moeten worden op een bredere benadering die rekening houdt met de gevolgen van demografische transitieprocessen voor ontwikkelingslanden.
Er moet actief gewerkt worden aan bewustzijnsvorming bij politieke leiders en bestuurders in ontwikkelingslanden met betrekking tot de consequenties van hoge vruchtbaarheidscijfers en daaraan gerelateerde bevolkingstoename voor economische groei en duurzame ontwikkeling en politieke en sociale stabiliteit van landen. Helaas wordt snelle bevolkingsgroei door sommige politieke leiders beschouwd als een middel tot uitbreiding van hun macht. In werkelijkheid houdt dit echter meer kans op armoede, honger en binnenlandse onrust in.
Demografische ontwikkelingen en demografische transitieprocessen zouden onderwerp moeten zijn van de beleidsdialoog met partnerlanden en onderdeel van Meerjarige Strategische Plannen, landenprofielen en PRSP’s. Er kan op deze wijze effectiever en tijdiger ingespeeld worden op demografische transitieprocessen.
Demografische transitieprocessen hebben belangrijke implicaties voor overheidsbeleid en ontwikkelingsperspectieven. Er moet rekening worden gehouden met de veranderingen die zich in de verschillende fasen van het demografische transitieproces voordoen in de verhouding in de leeftijdsopbouw van de bevolking tussen het aandeel jeugdigen (onder 15 jaar), het werkzame gedeelte van de bevolking (15 tot 65 jaar) en de vergrijzende bevolking (boven 65 jaar). De ontwikkeling van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties zijn noodzakelijke voorwaarden om demografische transitie in landen goed te doen verlopen.
Het beleid ten aanzien van het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheid, en onderwijs van met name meisjes en vrouwen, vormt een hefboom voor ontwikkeling van landen. In dit verband zijn geïntegreerde gezondheidssystemen waarin aandacht wordt geschonken aan preventieve zorg, seksuele voorlichting en family planning van groot belang als ook integratie van SRGR in het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s. Dit zal leiden tot afname van de vruchtbaarheidscijfers en moeder- en kindersterfte. Daarnaast kan dit door afname van het percentage jeugdige mannen op den duur een vredesdividend opleveren.
In het fragiele statenbeleid en bij vredesoperaties moet een structurele plaats worden ingeruimd voor SRGR, met aandacht voor family planning. Deze versterking zou ook in de vorm van additionele financiële middelen moeten plaatsvinden.
Ondanks de belangrijke inzet van Nederland op het terrein van SRGR en de verwevenheid die er bestaat tussen HIV/AIDS en SRGR, lijkt de inzet van middelen in het kader van het Nederlandse beleid wel erg ten voordele van HIV/AIDS en ten nadele van SRGR te zijn uitgevallen. De AIV beveelt aan deze verhouding ten gunste van SRGR te wijzigen.
Om de MDG’s ook daadwerkelijk te realiseren in de fase waarin het demografisch dividend optreedt is het vergroten van toegang voor mannen en vrouwen tot de arbeidsmarkt, opleidingen en financiële diensten van belang. De gelijke toegang van vrouwen en meisjes speelt hierbij een belangrijke rol.
AIV heeft de indruk dat de ‘mainstreaming’ van het onderwerp vergrijzing in nationale ontwikkelingsstrategieën, zoals voorgesteld in het Madrid International Plan of Ageing, niet goed verloopt. Hier zou binnen het beleid aandacht aan moeten worden geschonken. Daarnaast bepleit de AIV om technische assistentie te bieden aan landen voor het opzetten van oudedags- en pensioenvoorzieningen in zowel de publieke als de private sector. Er moet geïnvesteerd worden in institutionele structuren om straks grote aantallen kwetsbare ouderen (waaronder onevenredig veel vrouwen) te kunnen opvangen. Ook zouden als onderdeel van een systeem van micro-financiering, microverzekeringen geïntroduceerd kunnen worden.
Nederland zou in EU-verband specifieke aandacht kunnen vragen voor de consequenties van demografische ontwikkelingen voor duurzame ontwikkeling en dit als onderwerp agenderen voor de politieke dialoog met ontwikkelingslanden.
Demografische ontwikkelingen en met name transitieprocessen en de daarmee verband houdende bevolkingsopbouw zijn een urgent onderwerp van aandacht voor ontwikkelingssamenwerking en zouden op geïntegreerde wijze onderdeel moeten uitmaken van de moderniseringsagenda van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De meeste ontwikkelingslanden, waaronder de fragiele staten worden nog lange tijd geconfronteerd met hoge vruchtbaarheidscijfers en een daarmee verband houdende sterke toename van de bevolking. Dit zal het bereiken van de MDG’s in 2015 in de weg staan, maar vormt zeker een bedreiging voor het bereiken van toekomstige MDG’s na 2015. Dit vraagt naast korte termijnbeleid om aandacht voor lange termijnstrategieën.
Door de verwachte daling van het BNP, zal ook het ODA-deel van de OS-begroting (0,8% van het BNP) afnemen. Er zullen dan keuzes voor bezuinigingen moeten worden gemaakt. De AIV pleit ervoor te waken dat door deze keuzes de zo belangrijke voorzieningen op het gebied van SRGR, gezondheid, onderwijs en gender zo weinig mogelijk aangetast worden. De directe effecten van dergelijke bezuinigingen kunnen zo groot zijn, dat landen voor jaren in hun duurzame ontwikkeling geremd worden.