Terug
Bekijk winkelmandje Print English version
De relatie tussen de Europese Unie en Rusland: een zaak van wederzijds belang
Conclusies en aanbevelingen: voorstellen voor nieuwe wegen

De vormgeving van de nieuwe relatie
De AIV komt tot de slotsom dat de EU op een aantal terreinen van gemeenschappelijk of complementair belang constructief met Rusland kan samenwerken, ook indien dit land zich in de toekomst assertief blijft opstellen. Die terreinen betreffen allereerst de economische betrekkingen, uiteraard vooral op het vlak van de energievoorziening. Energie is een kernsector in het wederzijdse belang tussen beide partijen. Enerzijds is de EU een belangrijke importeur van Russisch gas en olie, anderzijds blijft de EU voor Rusland een vitale afzetmarkt. De nog altijd sterk eenzijdige Russische economie groeit als gevolg van de stijging van de olie- en (dus) de gasprijzen. Driekwart van de directe buitenlandse investeringen komt intussen uit de lidstaten van de EU en Rusland heeft grote behoefte aan westerse technologie om zijn economie te diversifiëren. Hier liggen derhalve tal van mogelijkheden voor wederzijds voordelige ontwikkelingen en tal van kansen voor het West-Europese bedrijfsleven, niet alleen in de sector energie, maar zeker ook in de land- en tuinbouw. Daarnaast bestaan tussen de EU en Rusland parallelle belangen met betrekking tot het scheppen van stabiele verhoudingen in landen aan de randen van elkanders grenzen, de bestrijding van terroristische groeperingen en de georganiseerde misdaad.

De AIV verbindt het woord ‘assertief’, dat tegenwoordig zo veelvuldig op Rusland wordt toegepast, met het krachtig opkomen voor eigen belangen, het stellen van harde voorwaarden aan samenwerking en een drang zich te doen gelden als grote mogendheid. Hoezeer de EU zichzelf in de wereld wenst te profileren als ‘postmoderne eenheid’ die heeft afgerekend met de regels van de klassieke machtspolitiek, zij loopt aan tegen een harde werkelijkheid waarin relatieve machtsposities van staten nog steeds zwaar wegen, regeringen in eigen land plegen te worden afgerekend op de resultaten die ze uit onderhandelingen met andere landen wegslepen en nationaal prestige een belangrijke bron van invloed is. In het geval van Rusland betekent een assertieve opstelling zeker ook dat het aanspraak maakt op gelijkwaardigheid en wederkerigheid in de onderlinge samenwerking. Dit is van bijzondere betekenis bij zowel de toonzetting als de inhoud van de nieuwe samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Rusland.

In het voorgaande hoofdstuk is naar voren gekomen dat Russische vertegenwoordigers de lopende PSO als bevoogdend ervaren. Rusland wil met zijn hervonden zelfbeeld als grote mogendheid niet langer door de EU worden ‘begeleid’ op weg naar democratie, een rechtsstaat en een vrije markteconomie. Een dergelijke rol van de EU is niet onbegrijpelijk tegenover kleinere landen die een reëel vooruitzicht hebben op een EU-lidmaatschap of die zich nog op een relatief laag ontwikkelingsniveau bevinden (zoals bijvoorbeeld het merendeel van de ACS-landen)[1]. Ook is het niet onbegrijpelijk dat de EU een dergelijke houding aannam ten opzichte van Rusland ten tijde van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het scherpe verlies aan welstand dat samenging met het vastlopen van de Sovjeteconomie. Echter, tegenover een gewezen supermogendheid die de weg omhoog weer heeft gevonden, is zo’n benadering misplaatst.

Van Russische zijde is keer op keer aangegeven dat men de verdragsrelatie tussen de EU en Rusland in een nieuw conceptueel kader wenst vorm te geven. Deze opstelling ligt rechtstreeks in het verlengde van de Russische wens, c.q. eis, om op voet van gelijkheid door de EU te worden behandeld en dit op passende wijze institutioneel te verankeren. Feitelijk wordt daarmee met zoveel woorden gezegd dat Rusland niet behandeld wil worden volgens het stramien dat de Unie voor de buurlanden heeft ontwikkeld. Dat stramien is in Russische ogen asymmetrisch en gebaseerd op het uitgangspunt dat Rusland zich als junior partner dient aan te passen aan de regels, normen en waarden van de EU. Modernisering is in Russische ogen niet gelijk aan Europeanisering. Deze Russische opstelling vertaalt zich in het door de Russen bepleite concept van een strategisch partnerschap en verklaart wellicht ook waarom men over een verdrag in plaats van een overeenkomst wenst te spreken.

Hoe dient de EU op de gegeven situatie te reageren? Allereerst stelt de AIV vast dat Rusland geen ambitie heeft toe te treden tot de EU. Mede gegeven het belang en de statuur van het partnerland Rusland moet de organisatie van de betrekkingen tussen de EU en Rusland in een eigen kader vorm krijgen. Rusland dient naar het oordeel van de AIV als gelijkwaardige partij aan het proces deel te nemen om de nieuwe relatie vorm en inhoud te geven. Dit betekent uiteraard dat de EU niet alleen in eigen kring moet beraadslagen over wat zij belangrijk vindt, maar ook open moet staan voor de Russische overwegingen ter zake.

Dit geldt ook voor de vorm van het nieuwe arrangement. De AIV is in dit verband nagegaan welke modellen de EU voor de samenwerking met andere grote landen hanteert. Zoals eerder aangegeven, was de bestaande PSO met Rusland destijds geschoeid op de systematiek van de instrumenten die openstaan voor de buurlanden van de EU (het ENB en de ENB-instrumenten). Echter, met andere landen dan de buurlanden hanteert de EU ook andersoortige vormen van samenwerking, bijvoorbeeld met de VS. Met dit land is in 1990 een Transatlantische Verklaring inzake de EU-VS-relaties vastgesteld.[2] Deze verklaring is uitgewerkt in:
-          een Gemeenschappelijke Agenda (in 1995);
-          een Gemeenschappelijk Actieplan (eveneens in 1995); en
-          een Actieplan voor Economische Partnerschap (in 1998).

De structuur van het overleg is verder gelijk aan die tussen de EU en Rusland, met een halfjaarlijkse ontmoeting op het hoogste politieke niveau, welke telkens wordt afgerond met gezamenlijke plannen en verklaringen op specifieke terreinen. Onder dat topniveau ontwikkelen zich naar behoefte velerlei bilaterale samenwerkingsvormen en contacten.

Om het overleg te structureren wordt in Moskou, naar analogie met de NAVO-Rusland-Raad, een ‘EU-Rusland-Raad’ bepleit. Deze analogie gaat echter niet op. De NAVO is een zuiver intergouvernementele organisatie waarin de regeringen samen beslissingen nemen. Regeringsvertegenwoordigers onder elkaar kunnen echter in EU-zaken geen beslissingen nemen buiten het institutionele kader van de EU om. De AIV merkt hierbij op dat er met de VS, evenmin als met andere grote mogendheden als China of Japan, dan ook geen specifieke raad voor overleg is waar alle lidstaten aan tafel zitten. Wel is er met de VS, net als met Rusland, een halfjaarlijkse topontmoeting op het hoogste politieke niveau. Wanneer Rusland, zo concludeert de AIV, als grote mogendheid tegemoet wil worden getreden, dan kan het aanspraak maken op dezelfde procedurele relatie als de VS, niet minder, maar ook niet meer. Dit betekent dat de EU bereid kan zijn tot samenwerking en afspraken conform haar handelingscapaciteiten en verantwoordelijkheden binnen het bestaande verdragskader: zij kan een kaderovereenkomst sluiten, waarbinnen de ruimten voor samenwerking in de praktijk in sectorovereenkomsten kunnen worden ingevuld. Elk van de ruimten zal dan een eigen mandaat vereisen. De ruimten voor samenwerking komen, conform het verdragskader van de EU, overeen met die van de huidige PSO.

Bouwstenen voor een evenwichtige relatie in de toekomst
Nu hierboven een antwoord is gegeven op de vraag naar de vormgeving van de toekomstige relatie met Rusland, zal de AIV hieronder ideeën aanreiken om nadere inhoud aan de relatie te geven. Hoe men het ook wendt of keert, in de betrekkingen met dit land zullen de energiebelangen op de voorgrond staan. Dit is onderdeel van de ruimte voor handel en economische samenwerking; deze ruimte komt in het onderstaande eerst aan bod. Daarna volgt een paragraaf over de ruimte voor het externe veiligheidsbeleid, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de relatie met de wederzijdse buurlanden en de diverse bevroren conflicten. Vervolgens wordt ingegaan op de ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht. Dit betreft zaken als binnenlandse veiligheid, justitiële samenwerking, mensenrechten en visumaangelegenheden. Dit deel wordt afgesloten met de ruimte voor onderzoek, onderwijs en cultuur. Tot slot gaat de AIV in op de vraag hoe de Nederlandse regering en specifiek de Staten-Generaal een positieve invloed kunnen uitoefenen op de relatie van Nederland met Rusland en de relatie van de EU met dit land.

Aanbevelingen

a.      met betrekking tot de ruimte voor handel en economische samenwerking
Het is in het wederzijdse belang van de EU en Rusland dat de handel zich verder kan uitbreiden en dat ondernemers worden gestimuleerd hogere investeringen te doen. Daarvoor zijn vaste regels die stabiele verwachtingen en voorspelbaar gedrag creëren, noodzakelijk. Die regels dienen te worden gesteld via het WTO-lidmaatschap van Rusland (het gaat hierbij dus niet om EU-regelgeving). De AIV acht toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle implementatie van een nieuwe PSO, waarna verdere verbreding en verdieping van de relaties tussen de EU en Rusland op het terrein van handel en economie kunnen worden vormgegeven.

Aanbeveling 1:
Voor een succesvolle implementatie van een nieuwe samenwerkingsovereenkomst op het terrein van handel en economische samenwerking moet Rusland zo spoedig mogelijk lid worden van de WTO. De AIV beveelt dan ook aan dat de EU haar onderhandelingsstrategie op dit kerngegeven afstemt.

De AIV wijst erop dat onderhandelingen over toetreding tot de WTO meteen voldoen aan de eis van gelijkwaardigheid: de EU (in casu de Europese Commissie) onderhandelt immers op dit gemeenschapsterrein namens de 27 lidstaten met Rusland. De onderhandelingen zijn bovendien niet algemeen, maar specifiek en er worden gedetailleerde tijdpaden afgesproken. Dit zal het nodige geduld vergen, maar dat is niet ongewoon (men vergelijke bijvoorbeeld het verloop van de onderhandelingen met India). Alles wat buiten afbraak van de douanerechten valt, blijft ook na het ingaan van het lidmaatschap van de WTO onderhandelbaar, zoals bijvoorbeeld accountingafspraken, investeringsgaranties of harmonisatie van de procedures voor de certificering van producten die in Rusland worden ingevoerd. Alle non-discriminatiewetgeving is bij het ingaan van het lidmaatschap van toepassing op alle handelsgoederen, inclusief olie en gas.

Verder is het de AIV gebleken dat het niet te verwachten valt dat Rusland het Energiehandvest zal ratificeren. Bij het ingaan van het WTO-lidmaatschap zal echter de inhoud ervan wat handel betreft automatisch van kracht worden. Er is echter één manco, namelijk de investeringsbescherming. Dit laatste kan dan alleen in het kader van WTO-plus-onderhandelingen over een FTA worden meegenomen.

Aanbeveling 2:
Verwacht niet dat Rusland het Energiehandvest zal ratificeren; neem de clausules voor de investeringsbescherming (als vermeld in het Energiehandvest) mee in de WTO-plus-onderhandelingen met Rusland. Neem de wederkerige regels voor de investeringsbescherming op energiegebied op in een FTA, zodra Rusland lid van de WTO is geworden. Zo’n FTA moet het einddoel van de economische samenwerking zijn.

Ten aanzien van investeringen heeft Rusland kort geleden zelf regels gesteld. De AIV beoordeelt dit positief omdát er nu regels zijn, waar die er eerder niet waren. Onderhandelen over de waslijst van zaken die onder het hoofdstuk economische samenwerking van de huidige PSO staat, leidt naar zijn mening nergens toe. Het is belangrijk het WTO-lidmaatschap als doel voorop te stellen en als leidraad te nemen. De AIV wil evenwel meer, namelijk een vrijhandelszone met Rusland, die tot stand gebracht wordt conform het in de EU afgesproken onderhandelingsmandaat. Nogmaals, zolang het WTO-lidmaatschap niet tot stand is gekomen kan er op het terrein van de economische samenwerking geen vooruitgang worden geboekt, anders dan de huidige invulling van ambtelijke werkgroepen.

Aanbeveling 3:
In het kader van een vrijhandelszone met Rusland gaat het niet alleen om afbraak van de douanerechten, maar ook om WTO-plus-zaken zoals regels voor openbare aanbesteding, harmonisatie van belastingen en harmonisatie van de certificering van goederen die in Rusland worden ingevoerd. Verbreedt daarom de agenda van de afschaffing (althans vermindering) van tarifaire handelsbelemmeringen met het opruimen van non-tarifaire hindernissen.

Ten aanzien van de energiemarkt merkt de AIV op dat het in de EU nog niet is gelukt deze geheel te liberaliseren. Een bijzonder probleem vormt daarbij de scheiding tussen productie, transport en levering van energieproducten (de ontbundeling). Begin juni 2008 hebben de EU-ministers van Energie een beginselakkoord bereikt over de kwestie van ontbundeling. In afwijking van de oorspronkelijke voorstellen van de Europese Commissie is op Franse en Duitse aansporing afgesproken dat er geen formele splitsing van verticaal geïntegreerde energiebedrijven hoeft plaats te vinden (ownership unbundling), zolang er garanties zijn dat de distributienetwerken als apart bestuurde eenheden worden ingericht. Een en ander moet nog nader worden uitgewerkt en bovendien moet het Europees Parlement er nog een uitspraak over doen. Die nadere uitwerking is niet zonder belang. In hoeverre netwerken als onderpand kunnen dienen voor financieringsarrangementen van het moederbedrijf, alsmede de mogelijkheden van cashflow van het distributiebedrijf naar het moederbedrijf, zijn vragen die van doorslaggevend belang kunnen zijn. Dat neemt niet weg dat deze ontwikkeling in het EU-beleid perspectief biedt voor een mogelijke oplossing voor buitenlandse investeerders, zoals Gazprom, die gekenmerkt worden door een vergaande verticale integratie van de bedrijfskolom.

Aanbeveling 4:
De EU dient wederzijdse investeringsafspraken met Rusland na te streven in de energiesector. Hierbij kan aangesloten worden op de desbetreffende bepalingen van het Energiehandvest. Een afgezwakte eis tot ontbundeling kan het tot stand komen van dergelijke afspraken vergemakkelijken.

b.      met betrekking tot de ruimte voor externe veiligheid
De EU dient naar het oordeel van de AIV nadrukkelijk de deur open te houden voor Russische deelname aan, c.q. materiële ondersteuning van EU-vredesmissies buiten Europa. De AIV is positief over de bereidheid van Rusland de EU-operatie in Tsjaad logistiek te ondersteunen. Wat betreft de Russische wens tot medezeggenschap over de voorbereiding en uitvoering van operaties, valt te denken aan praktische arrangementen, per geval te maken. De AIV vestigt er in dit verband de aandacht op dat het bij internationale GBVB-onderhandelingen gebruikelijk is dat de EU-lidstaten, die het leeuwendeel van de inspanningen voor hun rekening nemen, zitting nemen in een voor dat doel ingestelde ‘contactgroep’. Niets lijkt uit te sluiten dat, indien Rusland bereid is aan een vredesondersteunende operatie mee te doen en indien zijn bijdrage substantieel is, Rusland dan ook meespreekt over opzet, werkverdeling en aansturing van zo’n operatie, dus met de betrokken deelnemers uit de EU aan tafel zit in een dergelijke contactgroep ad hoc. Daarvoor is geen aparte structuur nodig. Ook in VN-verband bestaan dergelijke vormen niet; wel bestaan er commissies ad hoc. Zodra de Veiligheidsraad van de VN besluit tot een missie, wordt voor de duur van de missie een zogenaamde contributers committee opgericht, dat de details uitwerkt en waarin alle bijdragende leden zitting hebben. Iets dergelijks zou bij eventuele gezamenlijke missies van de EU en Rusland mogelijk moeten zijn. Bovendien kan elke vorm van verdergaande samenwerking ter sprake worden gebracht op de gebruikelijke, halfjaarlijkse topontmoetingen tussen de EU en Rusland.

Aanbeveling 5:
Op basis van praktische arrangementen, zoals contactgroepen ad hoc en comités van contribuanten, kan Rusland een passende stem worden verleend in de uitvoering van vredesoperaties waaraan zowel Rusland als de EU deelnemen. De EU dient in voorkomende gevallen het pad te effenen voor de totstandkoming van dergelijke arrangementen.

Naast samenwerking op het gebied van de internationale vrede en veiligheid in het algemeen, liggen juist op het terrein van de gezamenlijke buurlanden ook gedeelde belangen, ook al denkt Rusland op dit terrein eerder in termen van een nulsomspel. De Russische regering stelt in formele beleidsdocumenten dat ook zij in dit gezamenlijk grensgebied zal streven naar een ontwikkeling van ‘vriendschappelijke, democratische buurlanden’. Met betrekking tot de veiligheidssituatie in de landen die zich bevinden aan de west- en zuidkant van het Russische grondgebied spelen de EU en de NAVO ieder een eigen rol. De inspanningen die beide organisaties zich getroosten om te komen tot vergroting van de stabiliteit in de betrokken landen, vragen om een zo goed mogelijke afstemming, die thans nagenoeg ontbreekt. Wat de EU betreft, komt het scharnierpunt in het overleg over vraagstukken van vrede en veiligheid nog sterker te liggen bij de HV van de EU voor het GBVB, indien het Verdrag van Lissabon alsnog door alle lidstaten wordt geratificeerd. De samenvoeging in één persoon van de verantwoordelijkheid voor het klassieke Buitenlandse Beleid en de gemeenschapscompetenties voor de Externe Betrekkingen (Handelsbeleid en Ontwikkelingssamenwerking) biedt kansen op een grotere coherentie in de uitvoering van het Nabuurschapsbeleid, ook met betrekking tot de gemeenschappelijke buurlanden.

Als gezegd is de veiligheid en stabiliteit van de buurlanden die de EU gezamenlijk heeft met Rusland een gedeeld belang. Inzake Georgië en ook inzake Moldavië, twee landen waar bevroren conflicten spelen is er overleg tussen de EU en Rusland; de EU benoemt zelfs jaarlijks speciale vertegenwoordigers voor beide gebieden. Het is dus niet zo dat het kanaal voor dit belangrijke overleg ontbreekt, maar wel dat dit niet plaatsvindt op het niveau waar de besluiten worden genomen, namelijk op het hoogste politieke niveau. Dat moet worden verbeterd.

Het is belangrijk dat de EU onverkort vasthoudt aan het uitgangspunt dat soevereine staten zelf mogen bepalen van welke internationale organisaties zij al dan niet lid worden. Dit is actueel naar aanleiding van de aanvraag van het lidmaatschap van de NAVO door Georgië en Oekraïne. Het eerstgenoemde land mag dan geografisch niet tot Europa worden gerekend, in politiek opzicht hoort het wel bij ons deel van de wereld. Hierbij is ook de vraag aan de orde of de formulering van artikel 10 van het NAVO-verdrag, dat de mogelijkheid opent tot toetreding van Europese staten, herziening behoeft. De AIV vindt overigens wel dat het recht dat bedoelde landen hebben zich aan te melden voor het lidmaatschap van het Atlantische Bondgenootschap, niet betekent dat het Bondgenootschap gehouden is de uitoefening van dit recht met toetreding te honoreren. De NAVO-landen hebben in dit opzicht een eigen verantwoordelijkheid. Zij dienen zorgvuldig te overwegen of de veiligheidssituatie in oostelijk Europa en de Kaukasus gediend is met een verdere uitbreiding van de Alliantie. Uiteraard speelt hierbij het effect op de relatie met Rusland op langere termijn een belangrijke rol.

Aanbeveling 6:
Nederland moet er in EU-verband op aandringen dat er over de gezamenlijke buren van de EU en Rusland inhoudelijk overleg wordt gevoerd, gebaseerd op een gemeenschappelijk EU-standpunt. Indien de HV van de EU ‘nieuwe-stijl’ er komt, dient deze de mogelijkheid te onderzoeken op welke wijze het overleg met Rusland het beste kan worden gestructureerd om, in het wederzijdse belang, te komen tot grotere stabiliteit in de betrokken landen.

c.      met betrekking de ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht
Gebleken is dat de samenwerking met Rusland op het terrein van Binnenlandse Veiligheid, in het algemeen naar het oordeel van betrokkenen bevredigend verloopt. Dit geldt in het bijzonder voor de samenwerking van politie en justitie op thema’s als mensenhandel, kinderpornografie en cybercrime. De AIV constateert dat er aan EU-zijde evenmin klachten zijn over de uitwisseling van inlichtingen op strategisch vlak, zoals terrorismebestrijding en het tegengaan van de verspreiding van massavernietigingswapens. Ook worden de gemeenschappelijke belangen met betrekking tot bestrijding van financiële misdaad, illegale immigratie en milieucriminaliteit genoegzaam onderkend. In het kader van de Schengengrenzen is er verder samenwerking gaande bij de grensbewaking. Wel is er aanleiding de resultaten van gezamenlijke projecten op deze terreinen aan onderzoek te onderwerpen. Er is nog weinig over de praktische effecten bekend.

Aanbeveling 7:
De AIV beveelt aan bij de EU aan te dringen op een tussentijdse evaluatie van de bestaande samenwerking op de hierboven genoemde terreinen en op basis van de bevindingen deze samenwerking op pragmatische wijze krachtig voort te zetten.

Een van de onderwerpen die in de wederzijdse relatie op het terrein van Binnenlandse Veiligheid een steen des aanstoots is, is visumverlening. Vooral ontheffing van de visumverplichting ligt politiek gevoelig en zal een zaak van lange termijn zijn.

Aanbeveling 8:
De AIV beveelt aan dat de EU en Rusland gelijktijdig de visumprocedures voor elkaar versnellen en de visa langer geldig en goedkoper maken, alsmede voor beperkte, geselecteerde groepen ontheffing van de visumverplichting nastreven.

Op het terrein van de mensenrechten staan alle juridische instrumenten ter beschikking die Nederland en de EU zich zouden wensen. Er is derhalve geen behoefte aan nieuwe regels. Rusland is immers lid van de Raad van Europa, partij bij het EVRM, lid van de OVSE en partij bij de belangrijkste mensenrechtenverdragen – al deze verbanden brengen al de nodige verplichtingen met zich. Waar het aan ontbreekt is de naleving van de verdragsverplichtingen. De manier waarop de Europese landen de zaak van de mensenrechten bij de Russen aan de orde stellen luistert nauw. Belerend optreden werkt averechts. Daarnaast is het belangrijk dat burgerorganisaties in Rusland vrijheid krijgen op te komen voor de bescherming van de grondrechten van de Russische burgers. De Russische wetgeving maakt het moeilijk contacten met buitenlandse organisaties te onderhouden en vooral om fondsen aan te nemen; dit treft in het bijzonder mensenrechtenorganisaties, maar zeker niet alleen deze. Toch verwacht de AIV dat op de lange termijn verbreding en modernisering van de economie in Rusland mede ertoe zal bijdragen dat bredere groepen van de samenleving zullen opkomen voor de naleving van de rule of law en de bestrijding van ‘juridisch nihilisme’. Op de lange duur zal dit waarschijnlijk ook het meest effectief zijn.

Van Rusland mag in elk geval worden verlangd dat het de EVRM-normen van mensenrechten en rechtsbescherming respecteert. Een appèl op Rusland als verantwoordelijke belanghebbende kan meer perspectief bieden op de verwezenlijking van genoemde standaarden. Aandringen op ratificatie van het 14e Protocol, dat voorziet in de modernisering van het Hof moet in dit licht worden geplaatst. Deze modernisering is dringend nodig omdat het functioneren van het rechtssysteem van de Raad van Europa in het geding is. Verder kan pragmatische ondersteuning, bijvoorbeeld bij de reorganisatie van de rechterlijke macht in Rusland en de herziening van het Russische gevangenissysteem, een duw in de goede richting geven.

Aanbeveling 9:
De EU moet blijven insisteren dat de mensenrechten in Rusland beter worden nageleefd en dat het zich houdt aan de uitspraken van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Overigens is niet de EU maar de Raad van Europa het meest directe kanaal om Rusland te houden aan het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast moet Rusland, ook door de EU, worden aangesproken op zijn medeverantwoordelijkheid voor deze organisatie. De lidstaten van de Raad van Europa mogen hun pogingen niet staken Moskou te overreden mee te werken aan een hervorming van de klacht- en beroepsprocedure behorende bij het EVRM.

d.      met betrekking tot de ruimte voor onderzoek, onderwijs en cultuur
De ‘zachte’ sector leent zich goed voor een versterking van de samenwerking tussen de EU en Rusland. Contacten tussen burgers, studenten en professionals kunnen vertrouwen wekken en de weg vrijmaken voor verdergaande gezamenlijke projecten. Daartoe kan de EU haar (aanvullende) bevoegdheid op het terrein van onderzoek, zoals vormgegeven in het nieuwe, Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologie, voor Rusland invullen. De beleidsterreinen onderwijs en cultuur zijn in essentie de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar ook hier zou de Unie stimulansen – onder andere via aanloopfinanciering – kunnen geven om de samenwerking op deze terreinen te intensiveren. Deze samenwerking kan zowel in een algemeen als in een meer specifiek kader worden vormgegeven. In het eerste geval kan worden gedacht aan overkoepelende programma’s, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs (lager, middelbaar en hoger onderwijs). Dit vereist wel een selectiemechanisme voor de toekenning van financiële middelen. In het tweede geval zou per sector te werk kunnen worden gegaan. Naast de invulling van het genoemde Kaderprogramma voor onderzoek verdient samenwerking in het hoger onderwijs prioriteit, evenals samenwerking in het onderwijs van talen, en kennis van elkanders geschiedenis en cultuur. Een interessant onderzoeksonderwerp is hoe Rusland zijn gender- en zijn armoedebeleid vorm geeft.

Aanbeveling 10:
De AIV beveelt aan de uitwisseling van scholieren, studenten en docenten van instellingen van (hoger) onderwijs- en (wetenschappelijke) onderzoek en van instellingen van (elkanders) cultuur, taal en geschiedenis te bevorderen.

Via dergelijke stimuleringsprogramma’s zou bovendien het toerisme van en naar Rusland bevorderd kunnen worden.

e.      met betrekking tot de mogelijke bijdrage van Nederland

Een van de grote problemen bij de uitvoering van het EU-beleid is de afstemming van acties die op gezag van en namens de EU-instellingen ten opzichte van Rusland worden ondernomen met de betrekkingen die EU-lidstaten bilateraal met Rusland onderhouden. Zin voor realiteit is hier echter geboden. Het is een illusie te menen dat lidstaten kunnen worden gedwongen zich volledig ondergeschikt te maken aan een gemeenschappelijk EU-beleid. Dat geldt in het bijzonder voor de grotere lidstaten. Toch zou er al heel wat gewonnen zijn, indien de bilaterale betrekkingen in overeenstemming kunnen worden gebracht met althans een aantal gemeenschappelijke posities welke tezamen gezien kunnen worden als een algemeen beleidskader voor de behartiging van de relatie met Rusland. Nederland lijkt in een goede positie te verkeren om te proberen bruggen te slaan tussen het beleid van in het bijzonder de grotere lidstaten en het gezamenlijke beleid op EU-niveau.

Aanbeveling 11:
Nederland moet proberen bij te dragen aan de opstelling van een algemeen beleidskader in EU-verband dat richtlijnen stelt voor de omgang van de EU-landen met Rusland. Een goed middel hiertoe zou de opstelling door de EU van een nieuwe Rusland-strategie zijn, welke strategie rekening houdt met de sterke veranderingen die zich in Rusland hebben voltrokken.

Nederland is een van de grootste investeerders in Rusland. Deze investeringen worden vooral gedaan door de grotere bedrijven en de AIV ziet dat kansen blijven liggen voor het midden- en kleinbedrijf. Zeker in de land- en tuinbouw heeft Rusland een enorm potentieel tot het in ontwikkeling brengen van uitgestrekte gebieden die daarvoor geschikt zijn. Nederland zou zijn vooraanstaande positie als agro-industrieel land in de wereld kunnen uitbuiten door actief bij te dragen aan een verhoging van de voedselproductie in Rusland. Gezien de stijgende voedselprijzen en het feit dat in wereldverband de armen hierdoor het meest worden getroffen, zou een dergelijk beleid passen in de Russische inspanningen voor armoedebestrijding en het behalen van de millenniumontwikkelingsdoelen. Hier lopen de belangen van de EU en Rusland parallel.

Aanbeveling 12:
Nederland is een zeer grote investeerder in Rusland, maar kan meer doen om investeringen van het midden- en kleinbedrijf te stimuleren, vooral in de land- en tuinbouw, naarmate in Rusland betere investeringsbescherming tot stand komt.

Ten slotte dient Nederland in het verleden opgezette programma’s die gericht zijn op verbetering van de rechtspraak en de kwaliteit van het openbaar bestuur van Rusland voort te zetten en, waar mogelijk, te versterken. Dit geldt evenzeer voor uitwisselingen op het terrein van wetenschap, kunst en cultuur. Parlementaire bezoeken op nationaal niveau naar en uit Rusland zouden zich niet alleen moeten richten op de discussie over actuele beleidsthema’s (zoals mensenrechten), maar ook op de uitwisseling van ervaringen met de werking van de volksvertegenwoordigingen in EU-landen en in Rusland.

Samenvattend stelt de AIV dat Rusland eerst lid moet worden van de WTO, voordat zinvol inhoud kan worden gegeven aan verdere invulling van de samenwerking tussen de EU en Rusland op het terrein van handel en economie. Daarnaast ligt het wederzijdse belang van een goede samenwerkingsrelatie vooral in het vergroten van de veiligheid in Europa, speciaal in de buurlanden die de EU en Rusland gemeenschappelijk hebben. Daar kunnen zij gezamenlijk bijdragen aan het vinden van oplossingen van de diverse bevroren conflicten in de betrokken landen. Nederland moet zich inspannen beide punten in het middelpunt van de discussie in de EU te plaatsen.



[1] Dit zijn 79 landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan die partij zijn bij de conventie van Lomé en daarmee bepaalde handelspreferenties met de EU genieten, alsmede in aanmerking komen voor bepaalde hulpprogramma’s van de EU.

[2] Zie de webpagina: <http://ec.europa.eu/external_relations/us/economic_partnership/declaration_1990.htm>. Op deze pagina staan ook alle relevante documenten en kunnen de verklaringen en plannen bij elke topontmoeting worden ingezien.